Posts tonen met het label neuropsychologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neuropsychologie. Alle posts tonen

zaterdag 12 januari 2013

Hoe pak je uitstelgedrag aan? (Video)

Kijk hier een filmpje over uitstelgedrag en hoe je dat eventueel aan kunt pakken.



Bron: Visionair.nl

donderdag 3 januari 2013

De voornaamste reden waarom we knipperen met onze ogen



We knipperen niet alleen met de ogen om ze schoon te houden en uitdroging of ontstekingen te voorkomen. We knipperen vooral om onze hersenen wat rust te gunnen. Dat blijkt uit een recent onderzoek.

Japanse wetenschappers van de universiteit van Osaka onderzochten 20 jonge en gezonde proefpersonen. Zij werden onder de hersenscan gelegd terwijl ze naar de Britse komedie Mr. Bean aan het kijken waren. Uit het onderzoek bleek dat we, wanneer we knipperen, tijdelijk onze aandacht verliezen. Ons brein wordt in die seconde even ‘uitgeschakeld’ (vergelijk het met een powernap), waarna de hersenen razendsnel ‘resetten’.

We brengen ongeveer 10% van onze uren dat we wakker zijn door met gesloten ogen en knipperen 15 tot 20 keer per minuut. Op deze korte momenten zouden we onze gedachten de vrije loop laten en denken we na over recente gebeurtenissen in ons leven of wat we morgen gaan doen.

En op welke momenten knipperen we vooral? Zijn we aan het lezen of naar iemand aan het luisteren, knipperen we meestal aan het einde van een zin. Als we een film kijken, knipperen we op het moment dat een acteur even buiten beeld is of het camerastandpunt verandert.

Door : Marlies van Cleeff

Bron: Daily Mail via Welingelichtekringen.nl

Tegelijkertijd empathisch en rationeel zijn? Wij kunnen het niet!



Wetenschappers hebben ontdekt dat het voor ons brein onmogelijk is om tegelijkertijd empathisch en rationeel te zijn. Het verklaart onder meer waarom zelfs de meest intelligente mensen soms zo gemakkelijk op te lichten zijn.

De onderzoekers trekken die conclusie nadat ze een experiment met 45 studenten uitvoerden. De studenten ondergingen een MRI-scan en terwijl ze gescand werden, kregen ze twintig geschreven en twintig gefilmde problemen te zien waarbij ze de problemen alleen konden oplossen door zich in te beelden hoe anderen zich zouden voelen (empathie). Ook kregen ze twintig geschreven en gefilmpde problemen te zien die ze met behulp van de fysica (rationeel dus) moesten oplossen. Zodra de studenten het probleem hadden gelezen of gezien, kregen ze een gesloten vraag voorgelegd waarop ze binnen zeven seconden met ‘ja’ of ‘nee’ moesten reageren.

Resultaten
Uit het experiment bleek dat sociale problemen het sociale netwerk in het brein activeerden en tegelijkertijd het deel van het brein dat geassocieerd wordt met het analyseren en logisch beredeneren, onderdrukten. Het maakte daarbij niet uit of de vragen geschreven of gefilmd waren. Het experiment wijst erop dat het voor ons brein gewoon onmogelijk is om beide netwerken tegelijkertijd te activeren.

Autisme

De studie kan mogelijk verklaren waarom zelfs de meest analytische mensen zich zo gemakkelijk laten oplichten. Een oplichter activeert met een zielig verhaal het empathische deel van het brein, waardoor het analytische netwerk geen schijn van kans meer heeft. Het onderzoek kan ook implicaties hebben voor mensen met bijvoorbeeld autisme. Mensen met autisme zijn er meestal heel goed in om ruimtelijke problemen op te lossen (waarbij logisch gedacht moet worden), maar minder goed in sociale omstandigheden. Maar ook andere aandoeningen, zoals ADHD, schizofrenie, angsten en depressies, kunnen door onderzoeken als deze in de toekomst wel eens beter behandeld worden. “Behandelingen moeten gericht zijn om een balans tussen de twee netwerken (het logische en sociale netwerk, red.),” vertelt onderzoeker Anthony Jack.

Balans

“Op dit moment richten de meeste behandelingen, maar ook het onderwijs zich op het versterken van het analytische netwerk.” En dat is een probleem. Want ook voor gezonde mensen is het belangrijk dat de twee netwerken in balans zijn. “Je redt het nooit zonder één van deze twee netwerken.” Als voorbeeld haalt Jack een algemeen directeur aan. “Je wilt dat een algemeen directeur zeer analytisch is, omdat hij daarmee het bedrijf efficiënt kan runnen en voorkomt dat je failliet gaat. Maar hij kan gemakkelijk zijn moreel kompas verliezen als hij te analytisch denkt.” Er zou dan ook geen voorkeur voor een bepaald netwerk moeten zijn. In plaats daarvan moeten mensen leren om efficiënt van het ene netwerk op het andere over te stappen en het juiste netwerk op het juiste moment te activeren.

De onderzoekers zetten hun studie voort. Zo willen ze bijvoorbeeld nog achterhalen of studenten wanneer ze mensen op een niet menselijke manier zien afgebeeld (bijvoorbeeld als dieren of objecten) wisselen van het sociale naar het analytische netwerk. Ook willen ze achterhalen welke invloed walging en sociale stereotypering heeft op welk deel van ons brein we activeren.

Geschreven door: Caroline Kraaijvanger

Bron: Scientias.nl

zondag 19 augustus 2012

Superbejaarde met piepjong brein bestaat echt



Tachtigjarigen met een geheugen dat net zo goed of zelfs beter is dan dat van vijftigers en zestigers. Nieuw onderzoek toont aan dat ze echt bestaan en dat hun brein er ook echt jonger uitziet.

Onderzoeker Emily Rogalski verzamelde 12 bejaarden met een superbrein. Ze bestudeerde hun geheugen en cognitieve vaardigheden. Ook bestudeerde ze het brein van ‘gewone’ bejaarden die niet zo’n uitzonderlijk goed geheugen hadden. En ook het brein van mensen van middelbare leeftijd werd bestudeerd.

Hersenschors

De resultaten verrasten Rogalski zeer. Vooral de hersenschors van de superbejaarden was verrassend. Deze buitenste laag van het brein is heel belangrijk voor het aanmaken van herinneringen, maar ook voor het concentratievermogen. De superbejaarden hadden een veel dikkere hersenschors dan de andere bejaarden van tachtig jaar en ouder. Sterker nog: hun hersenschors was vergelijkbaar met die van proefpersonen tussen de 50 en 65 jaar oud. “Deze resultaten zijn heel opmerkelijk gezien het feit dat grijze stof of het verlies van hersencellen een gewoon onderdeel van het ouderdomsproces is,” stelt Rogalski.

Hersencellen

De superbejaarden lijken haast wel boven dat ouderdomsproces te staan. Dat hun hersenschors dikker is, wijst er namelijk op dat ze meer hersencellen hebben. “We kunnen ze (de hersencellen, red.) niet tellen, maar de dikte van de buitenste laag van het brein kan ons wel helpen om de gezondheid van het brein indirect vast te stellen. Een dikkere hersenschors wijst op een groter aantal neuronen.”

Dikker

Een ander deel van de hersenen dat zich diep in het brein bevindt, bleek bij de superbejaarden zelfs nog dikker te zijn dan bij mensen van 50 tot 65 jaar oud. “Dit gebied is heel belangrijk voor concentratie en concentratie ondersteunt het geheugen. Misschien hebben superbejaarden een heel goed concentratievermogen en ondersteunt dat hun uitzonderlijke geheugen.”

Rogalski hoopt dat haar onderzoek kan worden gebruikt om ouderen die niet gezegend zijn met zo’n uitstekend geheugen, te helpen. Ze denkt dan bijvoorbeeld aan Alzheimerpatiënten. “Veel wetenschappers bestuderen wat er mis is met het brein, maar misschien kunnen we Alzheimerpatiënten helpen door vast te stellen wat er goed gaat in het brein van superbejaarden.”

Door:

donderdag 12 juli 2012

Een Déjà vu



Déjà vu is een Franse term dat 'al eens gezien' betekent. Heb je al eens meegemaakt dat je, bijvoorbeeld, ergens komt en het gevoel verkrijgt dat je er ooit reeds bent geweest; dit, ondanks het feit dat je ervan overtuigd bent dat dit niet zo is? Of, je bent in een gesprek verwikkeld en je verkrijgt het gevoel dat je dat gesprek reeds eerder hebt gevoerd?

Een déjà vu is een bekend verschijnsel in de psychologie; het betreft de ervaring iets mee te maken waarvan men tegelijkertijd de indruk heeft het al eerder te hebben meegemaakt, terwijl men weet dat dat niet het geval is. De term déjà vu is afkomstig uit het boek 'L'Avenir des Sciences Psychiques ' - 'De toekomst van de psychische wetenschappen' - van de Franse onderzoeker Émile Boirac. Maar hijzelf maakte er geen diepgaande studie van. Déjà vu slaat in de wetenschap meestal op een onechte herinnering, of herinneringsbeleving. In het algemene spraakgebruik is men echter de term ook gaan gebruiken als aanduiding van elke bekende situatie.

Mensen die voor het eerst een déjà vu meemaken, kunnen hier onnodig van schrikken. Het is een beleving die vaak omschreven wordt als 'vreemd' of 'onwezenlijk'. Wanneer ze toch met anderen hierover durven te spreken, blijkt meestal dat veel meer mensen dit verschijnsel kennen en daardoor worden ze wel wat gerustgesteld; er is blijkbaar niets 'vreemds' met hen aan de hand, "ik ben niet de enige".

Een mogelijke verklaring stamt uit de neurologie. Wat bij een déjà vu gebeurt, kan ook worden omschreven als een 'kortsluiting' van de hersenen. Normaal gesproken wordt een beeld vanuit de ogen naar een plek in de hersenen gebracht waar de mens er zich bewust van wordt, daarna wordt dit beeld opgeslagen in de hersenen. Bij een déjà vu ontstaat er onverwachts een kortsluiting, waardoor het beeld zich eerst in de hersenen opslaat, voordat de hersenen zich bewust worden van het beeld. Omdat het een kortsluiting betreft, kan men zich dus ook niet herinneren wanneer en hoe men het eerder heeft meegemaakt, want al die informatie is niet opgeslagen.

Hoe ontstaat nu zo'n kortsluiting? Hierover bestaan verschillende speculaties. De Franse psychiater Pierre Janet schreef déjà vu toe aan een stoornis in de visuele perceptie, waarbij een waargenomen prikkel via twee informatiestromen, of kanalen (A en B, bovenste paneel in onderstaand figuur) de hersenen bereikt. Hierbij treedt er echter een uitsplitsing op tussen beeld A, dat de hersenen het eerst bereikt, en beeld B. De hersenen zullen nu beeld B, dat een fractie van een seconde later arriveert, als bekend categoriseren.

Een tweede opvatting komt van Daniel Dennett, die meent dat déjà vu berust op een misinterpretatie of stoornis in de hersenen zelf.




Deze zou een gevolg kunnen zijn van bepaald geneesmiddel, van vermoeidheid of een van neurologische stoornis, zoals bijvoorbeeld epilepsie. Een mogelijk gebied waar deze stoornissen kunnen optreden is de hippocampus. Dit gebied - en de omringende slaapkwab - speelt namelijk een belangrijke rol in het herkennen van familiariteit, of nieuwheid, van objecten en gebeurtenissen. Het spontaan vuren van zenuwcellen in dit gebied zou dan kunnen leiden tot een déjà-vu-beleving. Er is in dit model dus slechts één informatiestroom naar de hersenen nodig, en geen twee informatiestromen, of kanalen zoals Janet aannam.

Het verschijnsel déjà vu is ook op andere, niet-wetenschappelijke, manieren geïnterpreteerd. Alternatieve verklaringen zijn dat déjà vu beelden een teken zijn uit een andere wereld, herinneringen uit een vroeger bestaan, zoals reïncarnatie, of ten gevolge van een astrale uittreding waarbij men reeds eerder in een toekomstige situatie terechtkomt. Kortom, een verschijnsel van buitenzintuigelijke waarneming, als BZW afgekort, of ESP. Ook wanneer een gebeurtenis uit een droom zich vervolgens daadwerkelijk plaatsvindt, kan dat als déjà vu worden ervaren.

Dit zijn allemaal redenen waarom de wetenschap lange tijd niet meer in het Déjà Vu onderwerp geïnteresseerd was. Men was het beu om die ervaringen over vorige levens te aanhoren, de buitenzintuigelijke waarnemingen vond men ook absurd, en wat druppel die de emmer deed overlopen waren de verhalen van mensen die bij hoog en laag beweerden dat ze door buitenaardse wezens werden ontvoerd, of dat ze een ufo hadden bezocht.

Het déjà vu verschijnsel slaat niet alleen op beelden ontleend aan de visuele waarneming, er zijn ook varianten bekend waarbij het gaat om een innerlijk proces, zoals een gedachte of een ervaring: men spreekt dan ook wel van déjà senti (eerder gevoeld), eerder bezocht (déjà visité) of eerder meegemaakt of beleefd (déjà vécu).

Ook het tegenovergestelde proces kan plaatsvinden: men zegt dan bijvoorbeeld dat een bekend persoon, plaats of beeld nooit eerder is gezien alhoewel anderen weten dat dit wel zo is. Dit verschijnsel heet jamais vu (nooit gezien). Jamais vu wordt soms geassocieerd met bepaalde vormen van afasie, amnesie en epilepsie. Ook treedt het, onder andere, op bij het Syndroom van Capgras, waarbij men het waanachtige idee heeft dat partners, familieleden of bekenden niet echt zijn, maar vervangen werden door dubbelgangers met hetzelfde uiterlijk en gedrag. Incidenteel ziet een Capgras-patiënt zichzelf als dubbelganger. De meeste Capgras-patiënten beschouwen de dubbelganger wel als een mens, maar soms menen ze dat de dubbelganger een robot, of een buitenaards wezen is.

zondag 27 mei 2012

BreinGeheim

Hoe werken onze hersenen? Wat weten we ervan? In de zesdelige serie BreinGeheim gaat Charles Groenhuijsen op ontdekkingstocht in de wetenschap. Van het babybrein tot het oude brein.

Bekijk de afleveringen op uitzendinggemist.nl

Via: Star-people.nl

maandag 12 december 2011

Optimistisch brein negeert negatieve informatie

Geschreven door Caroline Hoek


Wetenschappers hebben ontdekt dat de hersenen van sommige mensen negatieve gedachten over de toekomst simpelweg negeren.

De onderzoekers verzamelden veertien mensen en stelden vast hoe optimistisch de proefpersonen waren. Vervolgens werden de hersenen van de proefpersonen gescand terwijl ze vragen kregen over tachtig negatieve gebeurtenissen. Bijvoorbeeld: ‘Hoe waarschijnlijk is het dat je met kanker te maken krijgt?’ De proefpersonen kregen daarna ook te horen hoe groot de werkelijke kans was. En helemaal aan het eind van het experiment moesten de proefpersonen opnieuw aangeven hoe groot de kans volgens hen was.

Resultaten

En dat levert opvallende resultaten op. De kans dat iemand kanker krijgt, is dertig procent. De mensen die dachten dat hun risico veertig procent was, stelden dit aan het eind bij naar 31 procent. Maar de mensen die eerst dachten dat het 10 procent was, pasten dat percentage ook na het horen van het werkelijke percentage amper aan.

Verwerken

Wanneer de proefpersonen positief nieuws te horen kregen (bijvoorbeeld: de kans op kanker is in werkelijkheid kleiner dan gedacht) vertoonden ze meer activiteit in de frontale kwab. Dat is logisch: dit deel van de hersenen verwerkt ‘fouten’ en zet die recht. Wanneer pessimisten negatieve informatie te verwerken kregen, was de activiteit in de frontale kwab het grootst. Bij de optimisten was de activiteit bij negatieve informatie het kleinst. Het lijkt erop dat het brein last heeft van Oost-Indische doofheid: het hoort alleen wat het wil horen en is beter in staat om positief nieuws te verwerken.

Altijd optimistisch

Het onderzoek laat zien hoe het kan dat sommige mensen altijd maar optimistisch blijven. Zelfs als de kansen in hun nadeel zijn. “Roken is dodelijk werkt niet als mensen denken dat de kansen op kanker klein zijn,” legt onderzoeker Tali Sharot uit. “De kans op een scheiding is vijftig procent, maar mensen denken niet dat zij ermee te maken krijgen.” Ondanks overtuigend bewijs kan het brein er toch voor kiezen om iets heel anders te geloven, zo is binnenkort in het blad Nature Neuroscience te lezen.

En daar lijkt niets mis mee: optimisme is gezond. Mensen die optimistisch zijn, hebben bijvoorbeeld een kleinere kans op hartziekten. Tegelijkertijd is optimisme ook een beetje gevaarlijk: mensen zien reële risico’s soms over het hoofd.

Bron: Scientias.nl